Interview met Ron Sabandar

In 2016 vroeg Lies (Rampen-Lahumeten) mij of ik aan een interview voor het digitale nieuwsbulletin van Maluku Huizen wil meewerken. Ik had direct Ja tegen Lies gezegd. Alhoewel ik al heel lang niet meer in Huizen woon en daar alleen nog bij bijzondere gelegenheden kom voel ik me nog altijd betrokken met het wel en wee van de Molukse gemeenschap, aldaar.

Ik vind het een bijzonder voorrecht om mijn stem te mogen laten horen middels dit medium. Na het bezoek van Lies en haar man Laurens bij ons thuis wilde ik dieper over de vragen nadenken, die Lies mij stelde. Ik wil een persoonlijke noot aan het interview geven en om een beeld van mijn leven te schetsen.

Ook is dit verhaal een nalatenschap voor mijn zoon zodat hij later iets over mijn leven kan teruglezen.

# Naam en geboortedatum?

Ronnie (Albert) Sabandar

Geboren 15 oktober 1947 in het Meester Cornelisziekenhuis in Batavia. (nu Jakarta).

# Wat zijn de namen van jouw ouders en van welk dorp op de Molukken komen jullie?

Mijn ouders zijn Mattheus (Thos) Sabandar (1905, Allang / Ambon)

en Maria Magdalena (Rie) Sabandar-Sohilait. (1910, Magelang /Java).

Beide ouders zijn afkomstig van Negeri Allang

# Broers en zussen ?

Ik heb 6 broers en 2 zussen.

Naar leeftijd zijn het : Johannes (Anis) , Eddy, Max, Saartje, Stefanus (Tété) “Steve”, (dan kom ik,) Usje, Rudy en Lotje. Twee oudere zussen waren in Indonesië overleden.

# Waar is je vrouw van afkomstig?

Haar vader, Ferdinand Mumu, komt uit Leilem, gelegen in de Minahassa (noordelijkste puntje van Sulawesi) . Haar moeder Caroline Abel komt uit Larike op Ambon (een naburig dorp van Allang). In mei 1951 kwamen haar ouders, broer Harry en zus Nicole met de Asturias aan in Amsterdam.

Het eerste woonoord waar zij terechtkwamen was Kamp Schattenberg.

Later volgden verhuizingen naar twee kleinere kampen in Zeeland, nl. Serooskerke en Breidorpe. In 1952 verhuisden zij naar Kamp De Wyldemerk bij Balk in Friesland. In 1954 werd dit kamp betrokken door Islamitische Molukkers. Er was zelfs een moskee. Maureen (1952) en haar jongere broer Vincent (1954) zijn in het ziekenhuis van Sneek geboren. Vervolgens verhuisde het gezin naar een contractpension in Amersfoort. In 1954 kreeg haar vader werk bij de overheid in Weesp.

Tot 1970 hebben zij daar gewoond en in 1972 zijn zij naar Diemen verhuisd. Helaas leven haar lieve en zorgzame ouders niet meer.

# Hebben jullie kinderen en wat zijn de namen?

We hebben 2 zonen, waarvan de oudste, Mauro, nu bij de Heer is.

De tweede zoon heet Romão (27) en is in Amsterdam geboren , getogen en opgegroeid. Hij werkt in Amsterdam en woont samen met zijn Chinese vriendin Mimi in Amsterdam-Osdorp.

# Met wie heeft Negeri Allang een pela-verbond ?

Allang heeft een pela-verbond met Negeri Latuhallat (Ambon)

VERLEDEN

# Wat zijn je herinneringen en ervaringen aan woonoord kamp Almère ?

De overtocht en aankomst in Kamp Almère

Wij behoorden tot de 60 gezinnen van woonoord Kamp Almère die met de eerste overtocht van de Kota Inten in 1951 naar Nederland vertrokken.

Ook waren er mensen die met de Asturias de overtocht gemaakt hadden. Zoals de familie Sapasuru. Mijn ouders hadden, aan boord van de Kota Inten en kort voor aankomst in Rotterdam, besloten om niet meer terug te gaan naar Indonesie, maar gekozen voor een nieuwe toekomst met het gezin in Nederland.

Van de zeereis kan ik mij niets herinneren, maar wel iets van de beginperiode toen in de kerk van het voormalige DUW-kamp kleding werden uitgereikt.

Ps: DUW-kampen:

Kort na de 2e wereldoorlog begon Nederland met de wederopbouw. Door Dienst Uitvoerende Werk (DUW) werden deze kampen in Nederland gebouwd voor werklozen, die om en nabij de kampen gingen werken.

Het woonoord Kamp Almère had 13 barakken waar de gezinnen en vrijgezellen werden gehuisvest. Bij de ingang naar het kamp was de barak van de kampbeheerder met zijn gezin. Er was een aparte barak, waar kolen en turf werden opgeslagen,

Er stond een kerk met aangrenzend een ontspanningsruimte.

Er was een badhuis met 3 douche-cellen voor mannen en 4 douche-cellen voor de vrouwen. In een ander gedeelte was een wasruimte voor de handwas waar één warmwaterkraan was .

(bron: blad Tjenkeh aug/sept 1978 ) De sociale voorzieningen bestonden uit 3 gulden zakgeld per persoon. Voor elk kind kreeg je nog 2 gulden extra. Daarnaast kregen wij eten van de centrale keuken. Dit bestond ondere andere uit bokking (haring), brood, boter, havermout, aardappels en groente. Het merendeel lusten wij niet, want het is heel anders dan wat wij bij het KNIL kregen. Eén keer per week kreeg je dan nasi goreng. (bron blad Tjenkeh nr 3 -1983)

De eerste zes maanden waren zeer turbulente tijden. Het eten was bijna gerantsoeneerd evenals de besteding van het schamele zakgeld. De gaarkeukens werden bemand door Nederlandse koks. Eerste levensbehoeften als schoenen en kleren kreeg men op de bon. (bron blad Tjenkeh aug/sept 1978).

Vanaf 1951 tot 1953 konden de mannen cursussen volgen voor bankwerker, automonteur en autogeen lasser. (bron blad Tjenkeh nr3 -1983).

Ook de kerk laat in de eerste 5 jaren van zich spreken. De GPM kreeg van de moederkerk in Ambon geen toestemming om een eigen classis op te zetten en richtte een noodgemeente op. De meeste Molukkers associeren de moederkerk met de Indonesiers.

Zo ontstond de Geredja Indjili Maluku (G.I.M.) .


Mijn ouders en het gezin

Mijn ouders en hun acht kinderen woonden in barak N op nummer 58.

Met naast ons de familie Nanlohy en familie Snell. Vergeleken met de andere barakken hadden wij het iets “comfortabeler”. Met een eigen ingang naar de woning. We hadden 2 slaapgedeeltes. Mijn twee zussen kregen het kleinste slaapgedeelte. De zeven jongens hadden het grootste slaapgedeelte. Er waren 4 stapelbedden voor de jongens. In de hoek van die kamer sliepen mijn ouders op een smal bed .

We sliepen op stromatrassen en onder paardendekens.

Ik kan mij herinneren dat mijn ouders weleens in de voorkamer op aaneen geschoven stoelen sliepen. Mijn moeder had achter de woning haar eigen ruimte waar ze de lekkerste gerechten kookte en cakes en spekkoek bakte in een petroleum oventje.

Naast onze barak had mijn vader een kippenren.

Ik ben opgegroeid in een liefdevol en zorgzaam gezin.

Toen het C.A.Z. in 1956 werd afgeschaft en de zelfzorgregeling werd ingesteld moest mijn vader, zoals de meeste Molukse mannen, naar werk zoeken om voor een eigen inkomen te zorgen. Mijn moeder zorgde en regelde alles binnen het gezin. Mijn zuster Saar en mijn oudere broers moesten voor de vier jongste kinderen zorgen.

Zo hadden mijn zus Saar en mijn broer Steve als taak om de vier jongste kinderen voor het avondeten naar het badhuis te brengen om hen te verschonen. Daarnaast moest mijn zus Saar mijn moeder helpen om de kleren te wassen.

Onze broer Steve bracht en haalde ons van school. Ik wist dat mijn broer Eddy eens van mijn moeder de opdracht kreeg om het oudergesprek met mijn klassenlerares van de lagere school van haar over te nemen.

Thuis was het altijd gezellig en keek men naar elkaar om. Mijn broer Max leerde mij de eerste Engelse woorden. Ook leerden wij van onze broers Max en Steve de eerste gitaargrepen op een ukelele. Of namen zij ons mee naar de bioscoop in Bussum.

Omdat er geen geld was om speelgoed te kopen, leerden wij snel om heel creatief te zijn. Met de weinige middelen, die wij hadden, vonden wij mogelijkheden om er iets moois van te maken.

Mijn broer Eddy stimuleerde mij om naar een voetbalvereniging te gaan. Ik koos voor SV Huizen . Mijn broer Eddy kocht mijn clubvoetbaltenue en de voetbalschoenen.

In de woonkamer van onze barakkenwoning stond een mooie houten radio die constant op Radio Luxemburg was afgestemd en waar de nieuwste moderne muziek te horen was. Miijn broers Max en Steve hadden een platenspeler waarop 33 toeren Vinyl platen werden afgedraaid. Zo leerden wij de muziek van o.a. de Platters en andere favoriete artiesten van die tijd kennen. Mijn ouders lieten ons allemaal vrij in het maken van onze eigen keuzes zodat wij zelf aan ons eigen ontwikkeling konden werken. Mijn ouders wilden dat wij een goede schoolopleidingen kregen. Het was mijn moeder die mij stimuleerde om naar de MULO te gaan.

Ondanks de drukte in huis en de krappe behuizing doorliep ik de eerste klassen van de MULO vrij vlot .

Later in de vierde klas van de MULO motiveerde mijn moeder mij om op stijldansen te gaan en om pianoles te nemen. Helaas had ik haar raadgeving in de wind geslagen omdat de popmuziek zijn intrede deed en die mijn volledige interesse had .

Tot op heden ben ik mijn ouders, mijn oudere broers en zus erg dankbaar hoe zij mij in mijn jonge jaren hadden verzorgd en dat zij alles deden om ons het beste te geven.

Mijn zus Saar had haar dankbaarheid en liefde getoond toen mijn vader heel erg ziek werd. Zij nam hem in 1989 op in haar huis te Krimpen aan de Ijssel terwijl zij nog zeven kinderen moest opvoeden en onderhouden.

Daar was hij uiteindelijk na een zware strijd op bijna 85 jarige leeftijd aan zijn ziekte overleden. Hij ligt nu bij zijn dierbare/zorgzame vrouw op de begraafplaats in Huizen. Onze lieve ouders.

Het gezin van mijn vader en moeder is anno 2017 uitgegroeid tot een grote familie met kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Tot al in de 5e generatie.

Een klein deel van het gezin woont nog in Huizen. De meesten wonen nu verspreid over het hele land. Of wonen in het buitenland. Zoals mijn zusje Lotje en neef Tony, die in Zweden wonen en werken. Ieder jaar wordt de stamboom met een nieuwe baby uitgebreid. Samen met de gezinnen van de vier andere broers van mijn vader in Nederland is een familievereniging opgericht met de naam Luma Ite.

Wat Ons Huis, in de bahasa tanah van Allang, betekent.


Het leven in woonoord Almère

Samen met de andere kampbewoners werd na aankomst in Nederland aan een nieuw gemeenschap gewerkt. De kerk had al snel een centrale plek van samenkomst in het kamp gevonden. Ik herinner mij dat het een levendige gemeenschap was waarmee ik mijn jeugd had doorgebracht. Als kind speelde ik altijd met de andere kinderen buiten in en rond het kamp. Spelletjes zoals ‘main kasti’ en ‘patu lele’ deden de meisjes en

jongens samen. Maar knikkeren en glassan waren serieuze zaken. Dat mochten alleen de jongens doen.

Oom Abé Sapasuru hield ons bezig met leuke spelletjes omdat hij heel actief was binnen de padvinderij. De oudere bung2 en usi2 volleybalden of speelden badminton. Er werd veel in het kamp aan muziek gedaan. In de vrijgezellenbarak naast onze barak werd jazzmuziek gespeeld en in de andere vrijgezellenbarak Rock & Roll- muziek.

Ik kan me indenken dat het voor mijn ouders en voor de andere mensen in het kamp niet makkelijk was om het moederland te moeten verlaten om aan een nieuw leven in een totaal vreemd land te beginnen.

(bron blad Tjenkeh nr 3 -1986) De eerste vijf kampjaren was niet makkelijk geweest. Er braken ruzies en rellen in dverse kampen. Er ontstonden allerlei politieke groeperingen.

Dat was in kamp Almère niet te merken. Er was saamhorigheid en ik zag de mensen als één grote familie, met wie ik samen 9 jaren lief en leed gedeeld had..

Ik denk met weemoed aan het kampleven terug. Het had voor een belangrijk deel de basis van mijn bestaan gelegd en het was een goed vertrekpunt geweest voor mijn latere leven.

De verhuizing van ons gezin uit Kamp Almère naar het dorp Huizen

Na acht jaar besloten mijn ouders om het kamp te verlaten en naar een woning in het dorp te zoeken. Mijn ouders zochten een nieuwe toekomst voor hen en voor hun kinderen. En daar komt bij dat de barakkenwoning te klein werd. En ook omdat mijn vader op de fiets van het kamp naar zijn werk bij de Huizerse haven moest fietsen en tijdens de winter, toen het glad was, van zijn fiets gevallen was. Toen was er nog een 6-daagse werkweek.

Oom Abe Sapasuru, die toen al een paar jaar met zijn gezin in het dorp woonde, hielp mijn ouders om aan een huis te komen. In 1960 verhuisden wij naar de Prinses Irenestraat nr 77. Een nieuw leven brak aan. Van een houten barakkenwoning naar een ruime stenen Hollandse hoekhuis. Mijn zusje Lotje had haar eigen kamer. De drie jongste jongens hadden samen de grootste kamer. Mijn oudere broer Steve had de zolder tot zijn slaapkamer gemaakt. Eddy, Max en Saartje woonden niet meer thuis.

We hadden Hollandse en een paar Indische buren, waarmee wij goede relaties hadden. Mijn vader werkte bij potterie de Driehoek aan de Huizerse haven, vlakbij huis en op loopafstand. Achter de fabriek had hij een grote moestuin. Het was een grote vooruitgang voor ons gezin geweest.

Regelmatig kwam ik naar het kamp terug om samen met mijn ouders naar de kerk te gaan. Later deed ik daar mijn catechisatie en belijdenis. Ook was het de periode van mijn tienerjaren en de tijd dat de popmuziek aanbrak. Vaak was ik in het kamp te vinden om met mijn vrienden over muziek te praten, om zelf muziek te maken en om ergens in het Gooi uit te gaan. Want muziek en dansen was onze lust en leven geworden.

In 1965 gingen Lies Lahumeten en Laurens Rampen trouwen. Lies vroeg aan de jongens om voor hun bruiloft te spelen. De jongens die konden musiceren besloten om een bandje op te richten. Voor de bruiloft van Lies en Laurens werd de band voor die gelegenheid The Eagles genoemd. In de grote tent, die op een open plek met aan de kanten de barakken was opgezet ging tijdens het bruiloftsfeest het dak af. De jongere kinderen uit het kamp, de eerste fans, waren razend-enthousiast, joelden en dansten. Jaren later zou deze band, in een gewijzigde formatie, bekend worden als de band Massada, die furore zou maken in binnen en buitenland.

Na de MULO koos ik voor een beroep bij de koopvaardij. Mede geïnspireerd door mijn jeugdvrienden Boetje Manuhutu, Elia Lahumeten en Max Wattimena die ook voor de zeevaart hadden gekozen. Het was mijn broer Eddy, ook een ex-zeevarende, die mij stimuleerde om voor het beroep radio-telegrafist ter koopvaardij te kiezen.

Elia Lahumeten, Max Wattimena en Chris Latul brachten mij met de auto naar het kantoor in Bremen van de Duitse reederij waar ik aanmonsterde.

In 1970 en op 23 jarige leeftijd begon mijn eerste grote reis, die via Kaapstad naar de Perzische Golf ging. Mijn broer Eddy en zijn vrouw Vera brachten mij naar de boot in Rotterdam. Mijn vader en mijn broer Steve haalden mij bij mijn terugkomst in Nederland op.

Mijn moeder had deze episode in mijn leven helaas niet mogen meemaken. In 1969 was zij in ons huis aan de Prinses Irenestraat op 58-jarige leeftijd aan een zware hersenbloeding overleden. De kerkdienst werd in de kerk van Kamp Almère gehouden. Het verlies van mijn moeder heeft een diepere impact op het gezin gehad.

De verhuizing van de bewoners Kamp Almère naar het dorp Huizen

Tijdens het overlijden van mijn moeder was het vertrek uit Kamp Almère voor de bewoners ondertussen een feit geworden.

Na de eerste gesprekken over de verhuizing gaf burgemeester van Driel de toezegging aan de kampraad dat onze inbreng met de gemeenteraad besproken zal worden. Voor Molukse begrippen betekent het dat als de Radja (lees burgemeester) toezegging doet, dat moet het betrouwbaar zijn en dat het in orde is.

Maar de kampraad heeft onderschat dat de gemeenteraad het laatste woord had en heeft. En dat het besluit daar genomen wordt. De burgemeester en zijn raad kozen voor integratie van de Molukkers in de Huizerse samenleving.

Na het besluit van de gemeenteraad had wethouder Baljet nog heel veel voorzieningen uit de onderhandelingen met het Rijk voor de Molukkers eruit kunnen slepen. Zo kregen de Molukkers per straat in de wijk bij de Landweg, waar de kerk staat, 2 tot 3 woningen. Van 1968 tot 1969 vertrokken de eerste bewoners uit het kamp naar de wijk bij de Landweg.

Ondertussen begon van eind 1968 tot 1969 de discussie over de kerk.

De kerk werd niet geaccepteerd omdat het zonder overleg met de Molukkers werd neergezet. Tijdens het protest over de kerk wilden er meer bewoners naar de wijk Landweg verhuizen maar de huizen werden toen al aan Nederlanders gegeven.

Na het protest over de kerk werd een schikking gedaan en het kerkgebouw werd met 8 meter verlengd. Maar kon niet verder worden uitgebouwd omdat het al tot de straatkant kwam. Later is de kerk nog eens in 1981 in de huidige staat gerenoveerd. In 1970 verhuisde de rest van de kampbewoners naar de wijk Stad en Lande toen de kerk klaar was en in gebruik werd genomen.

De laatste gezinnen die in 1972 uit het kamp vertrokken waren de familie Papilaja en de familie Manuputty. En de familie Manuhutu , die onvrijwillig het kamp verliet.

Dit is een belangrijk en aangrijpend stuk uit de geschiedenis van Kamp Almère. Als bron vermeld ik expliciet Max Wattimena .

Hij was bij de onderhandelingen over de wijk met de kampraad en over de uitbreiding van de kerk aanwezig geweest met ds Talahatu en de Majelis Gereja. Later ook bij de onderhandelingen voor het stichtingsgebouw Boenga Tjenkeh, in de hoedanigheid als voorzitter.

Mijn vertrek uit Huizen en het begin van een nieuwe toekomst

Na deze zeer aangrijpende periode in de geschiedenis van het Molukse volk in Huizen leerde ik Maureen tijdens mijn verloftijd thuis bij mijn vader kennen.

Wij kregen verkering en ik had mij als woningzoekende bij de gemeente Huizen aangemeld. Na een gesprek met wethouder Rebel bleek dat het lang zou duren alvorens wij een woning in Huizen konden krijgen.

(Een anekdote: Wethouder Rebel was tijdens zijn studententijd hulpje geweest van melkboer Brouwer die in het kamp met melkproducten en eieren ventte).

Toen wij door Maureen’s zus Nicole een woning in Amsterdam kregen aangeboden, vertrok ik in 1975 uit het huis van mijn vader aan de Prinses Irenestraat en ging met Maureen in Amsterdam-Oost wonen.Twee jaren later In 1977 trouwden wij zodat Maureen met mij mee op zeereis kon. Wij hadden samen schitterende zeereizen gemaakt, die ons de gelegenheid gaf om mooie landen op een bijzondere manier te bezoeken. Zoals de landen aan de Middellandse Zee, de oostkust en de zuidelijke staten van de Verenigde Staten. Landen aan de Perzische Golf, Sri Lanka , India en Burma.Tijdens mijn verloftijd had ik regelmatig contact met mijn zeevarende vrienden, Elia Lahumeten, Boetje Manuhutu en Max Wattimena.

In 1980 zei ik vaarwel tegen de zeevaart en vond een baan aan wal.

Mijn eerste wens, toen ik naar Amsterdam verhuisde, is om nieuwe contacten met Molukse mensen in de grote stad te gaan maken. Mijn zwager, wijlen Eddy Lekranty, bracht mij in contact met een oude bekende, Louis Souhuwat , die ik van mijn schoolvakanties in Deventer kende.

Als ondernemer had hij in Amsterdam een grafisch ontwerpburo. In zijn vrije tijd trainde hij de Amsterdams-Moluks volleybalclub Scorpio. Daar heb ik mijn eerste nieuwe Molukse contacten gemaakt. Door Scorpio hebben Maureen en ik een nauwe vriendschapband met Anis en Nona de Fretes gekregen. We zijn ook peetouders van hun 2e zoon Fedor geworden.

Vanaf het midden van de jaren 70 tot In de jaren 80 gebeurden er mooie dingen in Amsterdam die door Amsterdamse Molukkers werden georganiseerd en opgezet. Velen van hen kwamen uit de Molukse wijken en gingen er wonen om te studeren of om te werken. Door hen kwamen er nieuwe Molukse activiteiten in Amsterdam. Zoals de Moluccan Moods avonden in Paradiso, Mangurebe festival, Radio Oras, het blad Tjenkeh, de Gunung Batu kerk en nog veel meer.

Het einde van de jaren 80 had een impact op het leven van Maureen en mij gehad.

In 1988 moesten wij onze zoon Mauro verliezen. Mijn vader werd ernstig ziek en wij waren regelmatig in Huizen om hem te helpen. Mijn zwager Eddy Lekranty stierf in 1989 tijdens de crash met het SLM- vliegtuig bij het vliegveld Zanderij in Suriname.

In 1989 werd onze zoon Romão geboren  en het was tevens het begin van een nieuwe tijdperk waarin Maureen en ik aan een eigen gezin begonnen.

# Ben je weleens op de Molukken geweest?

In 1984 hadden Maureen en ik een rondreis in Indonesië gemaakt.

Eerst waren wij in Manado op de Minahassa waar wij de familie van Maureen bezochten. Via Ternate kwamen wij in Ambon aan. Het leek of ik daar al eerder geweest was. De mensen spraken en gedroegen zich op dezelfde manier die ik van kamp Almère kende. De eerste avond logeerden wij in het huis van mijn mama Tua, de vrouw van de overleden oudste broer van mijn vader. Zij begeleidde ons naar Negeri Allang per boot.

Negri Allang was toen nog alleen over het water te bereiken. Daar werden wij opgewacht door een jongere broer van mijn vader. We gingen niet direct naar zijn  huis maar volgens familie gebruik gingen wij eerst naar de woning van de familie Huwae. Daarna brachten wij een bezoek aan het familiegraf waar mijn opa en oma begraven liggen. De eerste avond sliepen wij in de rumah tua van de familie Sabandar besar. De rest van ons verblijf logeerden wij in het huis van mijn oom . . Zijn huis lag heel mooi aan de rand van Negeri Allang, vlak aan zee.

’s Morgens vroeg stonden Allangneze kinderen, die van onze komst hoorden, voor het huis lagu lagu te zingen.

Gebaad werd er onder de pantjuran, waar fris koel water van de berg kwam.

In het dorp Allang woonden ook nog een broer van mijn moeder, die wij bezocht hadden. Negeri Allang is bekend om zijn kwalitatief goede kanari (notenmuskaat). Maureen en ik hadden een ochtend in de familie dusun meegeholpen om de kanari- noten te openen.

Twee zusters van mijn moeder hadden wij opgezocht. Tante Inong in Tawiri en tante Pauline die in de rumah tua bij Ambon woonde. Op weg voor een bezoek aan Latuhallat bezochten wij mijn nicht Tuti en haar man Mes da Costa in Amahusu.

In hun huis was Maureen’s vader tijdens de oorlogstijd geïnterneerd. De rest van de vakantie woonden wij bij familie Pattinama, Maureen’s familie van moeders kant, op Kadawatan. Tijdens ons verblijf In Ambon stad werd daar de Sidang Raya 1984 gehouden, een conferentie van de Indonesische kerken.

Heel veel bezoekers kwamen vanuit Indonesië en vanuit het buitenland naar de conferentie in Ambon, die met een festival werd afgesloten.

Het was een gedenkwaardige reis geweest omdat ik al de broers en zusters van mijn ouders, neven en nichten mocht ontmoeten die helaas niet meer leven.

Vanuit Ambon gingen wij naar Cimahi op Java om mijn oudste broer Anis en zijn gezin te bezoeken. Het was geweldig om mijn oudste broer, zijn vrouw Sien en hun gezin te ontmoeten. Ik zal een kort anekdote geven waarom mijn broer bij onze overtocht naar Nederland niet was meegekomen.

Toen de 2e wereldoorlog in 1945 afgelopen was en Japan capituleerde, begon er in Indonesie (toen nog Nederland-Indie) een onafhankelijkheid strijd.

Mijn broers Eddy en Anis, en menig andere jonge Ambonezen, aangetrokken door de onafhankelijkheidstrijd sloten zich aan bij het bataljon Pattimura van het T.N.I.

Bij het inschepen op de Kota Inten raakten mijn ouders hun zoon Anis kwijt. Eddy was ondertussen weer terug bij het gezin. Zonder hun oudste zoon vertrokken mijn ouders naar Nederland. Jaren later hoorden wij via het Rode Kruis dat hij nog leefde.

Hij ontmoette daar zijn vrouw Sien en trouwde. In 1967 werd hun eerste kind Dessy geboren en tevens het eerste kleinkind van mijn ouders. Later kwamen er nog vijf kinderen bij.

Mijn 2e reis naar Indonesie

In 2000 was ik alleen naar Indonesie gegaan maar nu met het doel om mijn broer te bezoeken die net weduwnaar was geworden.

Zijn oudste Dessy woonde ondertussen in Nederland om voor mijn vader te zorgen. Zijn zoon Jeffry was al getrouwd en was druk met zijn gezin, zijn werk en met het bouwen van zijn nieuwe woning.

De andere dochters Jeanny en Fien waren ook al getrouwd en wonen met hun gezinnen in Bandung. Twee dochters woonden nog thuis, Saartje en haar man Max Thenu. En de jongste dochter Veronica maakte plannen om ook naar Nederland te willen vertrekken.Tijdens mijn verblijf bij mijn broer Anis volgde ik het nieuws over de burgeroorlog, tussen Moslim- en Christen-Molukkers, die op de Molukken woedde . Een sterk gevoel om naar de Molukken te gaan maakte meester van mij.

Ondertussen kreeg ik van Maureen het bericht dat onze Amsterdamse Indonesische buurvrouw heel veel geld naar mij wilde overmaken om het aan goede doelen te geven. Mijn plan stond toen vast : Ik wil naar de Molukken om met het geld van onze buurvrouw in Amsterdam hulp te gaan bieden.

De man van mijn nicht Saartje, Maxie Thenu kon voor een vlucht met een leger Hercules naar Ambon, via Oost-Timor en Iran Jaya, regelen.

Toen dit bijna geregeld was, was het uiteindelijk Maureen die mij tegenhield om de reis naar het onrustige Ambon te maken.

Met Maxie was ik toen naar Bali vertrokken om in het vluchtelingkamp van de Balinese kerk vluchtelingen uit de Molukken op te zoeken. Daar in het opvangcentrum werd een deel van het geld van mijn buurvrouw geschonken zodat voor de eerste levensbehoeftes van de vluchtelingen kunnen worden voorzien.

Op de terugweg kwamen wij in Joygakarta aan waar een straatkinderenproject bij toeval werd bezocht en waar een volgende deel van het geld van mijn buurvrouw gedoneerd werd. In Bandung gaf ik een deel van het geld aan mijn neef Jozua Sabandar die zijn broer, docent aan de universtiteit van Ambon, tijdens de burgeroorlog met geldmiddelen hulp bood.

De rest van het geld gaf ik aan mijn broer om de kosten voor de behandelingen van zijn ziekte te kunnen bekostigen. Wat aanvankelijk als een familiebezoek begon mondde uit in een bijzondere reis, die ik nooit van mijn leven zal vergeten.

Na deze reis zal het doel in mijn leven op een positieve manier veranderd worden. Geinspireerd door die reis had ik een wilsbesluit gemaakt om niet meer naar mijn werkgever terug te keren, maar om aan een totaal nieuwe verandering in mijn leven te werken.

HEDEN

# Hoe voel je je en hoe is je gezondheid ?

Ondanks het feit dat ik in 1996 ernstig ziek was geweest voel ik mij nu fit en gezond. Ik geloof dat het de Genade van Onze Heer is, die mij behouden heeft.

Ik ben bewuster van het leven geworden. Voel mij verantwoordelijk om aan een gezond lichaam en aan een gezonde geest te werken en te onderhouden. Ik sport tweemaal per week. Fiets veel en wandel regelmatig. Ik eet zo gezond mogelijk en probeer stress zoveel mogelijk te vermijden.

Roken en het drinken van alcoholische dranken doe ik allang niet meer.

Gezondheid betekent voor mij om een positieve kijk op het leven te hebben. Ik weet dat het niet altijd makkelijk is. Ik open en eindig een nieuwe dag met een gebed. Met vreugde begin ik elke dag en wil van iedere dag iets moois van maken.

En door mijn geloof heb ik het vertrouwen dat er een levende God is Die van ons houdt en Die voor ons zorgt.

# Ga je weleens naar de kerk ?

Toen Maureen en ik net in Amsterdam gingen wonen gingen we regelmatig naar een Nederlandse dienst bij één van de vele kerken in de stad.

Maureen deed in 1990 catechisatie en belijdenis in de hervormde Westerkerk.

Totdat in 1992 de Gunung Batukerk (G.I.M.) in Amsterdam – West werd opgericht. Het was jarenlang onze huiskerk geweest waar wij als gezin graag naar toe gingen. Het was een levendige kerk en revolutionair voor Molukse begrippen.

Maar ca. zeven jaar geleden veranderde er veel in de Gunung Batukerk. Ik ervoer dat er dingen gebeurden die niet goed waren. Zowel in de kerkgemeenschap als wel in de bedieningen. Ik vond dat de gemeenschap niet verder groeide en dat er mensen de kerk verlieten. Wat ik jammer vond, is dat de Gunung Batukerk geen contact zocht met andere christelijke kerken in deze kleurrijke stad.

In 2010 besloot ik om een radicale stap te maken en mijn lidmaatschap van de G.I.M. op te zeggen en afscheid nam van de Gunung Batukerk .

Via de gereformeerde Jeruzalemkerk, vlakbij ons huis, namen Maureen en ik deel aan een project om een buurtkerk op te zetten. En tijdens een verdiepingscursus van de Jeruzalemkerk besloot ik om de volwassendoop te ondergaan.

De Jeruzalemkerk stond dit niet toe omdat ik als kind al gedoopt was. De gerformeerde kerk keurt overdoop namelijk af.

Omdat ik op in mijn hart die doop te wil ondergaan liet ik mij alsnog In februari 2014 door onderdompeling dopen bij de Levende Steen ministries. Een pinkster- gemeente in Spijkenisse. Vorig jaar zocht ik in Amsterdam naar een nieuwe kerk omdat ik naar verdere verdieping zocht en actief wilde zijn in een nieuwe gemeente.

Sinds bijna zes maanden ben ik nu lid geworden van gemeente de Rots. Een multiculturele en kleurrijke kerk in Amsterdam-ZO. Voor 90 procent bestaat de gemeente uit Surinamers en Antillianen. Een klein percentage uit Nederlanders en mensen afkomstig uit Azie en Latijns Zuid-Amerka. Ik ben het enige lid van Molukse afkomst. Er zijn 16 bedieningen en toerusting, zoals een zeer goede Bijbelschool.

De kerk richt zich veel op nazorg .

De gemeente is sterk gefocust op leiderschapstraining en gemeenschapsvorming die past binnen de context van de huidige samenleving.

De kerk begon in 2004 met tien leden in een gehuurde buurthuis in Amsterdam-Oud Zuid. In 2015 kocht de Rots een eigen gebouw in Amsterdam Z.O. zonder geldmiddelen van af. En heeft anno 2017 een toekomst-visie om vijf nieuwe kerken op te zetten. Als Molukker wordt ik heel erg gewaardeerd en gerespecteerd.

In deze gemeente wil ik verder worden toegerust en meewerken aan de visie van de gemeente.

# Hoe ervaar je de huidige wereldgebeurtenissen? (digitale tijdperk, economie, oorlogen …etc)

Digitale tijdperk / Globalisering

Sinds het digitale tijdperk zijn intrede deed is de maatschappij sterk veranderd. Communicatie is sneller geworden en toegang tot veelerlei informatiebronnen gaat razendsnel. Toch vind ik dat het leven complexer geworden is en men is helaas erg afhankelijk van het internet geworden.

De economie

Alhoewel de economie in Nederland volgens de overheid gezond is, hoor ik vaker meldingen van een volgende economische crisis die aanstaande is en die veel groter zal zijn dan die van 2008. Ik volg de economie op de voet, omdat ik het belangrijk vind en om dan zelf maatregelen te kunnen nemen.

Er is hoop.

Ik geloof dat alles van God komt en dat Hij alles regelt. De hemel heeft een 24/7 business. Het Koninkrijk God’s economie is totaal het omgekeerde wat je hier op aarde ziet. Daar is overvloed en kent geen armoe.

De bijbel zegt :

Zoek God’s Koninkrijk en Zijn gerechtigheid. En alle andere wordt je gegeven. (Mattheus 6 vers 33)

Oorlogen

Berichten over  oorlogen en oorlogsdreigingen hoor je regelmatig op het nieuws. Vaak was ik bezig geweest om uit te zoeken of het nieuws, wat de mainstream-media ons wil voorschotelen, op waarheid berust. Daar ben ik nu van afgestapt. Het maakte mij alleen maar angstiger. Ik heb een wilsbesluit genomen om alle dingen vanuit Bijbelse perspectieven te bekijken. En dat geeft mij meer rust. Ik geloof ook dat wij in een Bijbelse tijd leven. God’s woord zegt dat deze dingen zullen gaan gebeuren.

In Mattheus 24 vers 3 – 14 wordt geprofeteerd over een tijd van oorlogen, hongersnood, natuurrampen en vervolgingen.

En ik geloof dat er nu tekenen zijn die duiden op de terugkomst van Jezus Christus. We moeten waakzaam zijn en ons klaar maken voor Zijn wederkomst.


# Hoe vind je dat de jongeren omgaan met hun cultuur (roots, adat, kerk ..etc)

Roots, adat en geloof

Ik durf niet te zeggen hoe de Molukse jongeren in Nederland met hun cultuur omgaan. Daar weet ik te weinig van af.

Ik zie wel dat een aantal jongeren in mijn familie, die in of bij een Molukse wijk wonen, zich met de Molukse adat bezig houden en daarvoor interesse tonen.

De jongeren moeten echter goed beseffen wat de gevolgen van het gebruik van de adat voor hunzelf en eventueel voor hun gezin zouden kunnen zijn.

En dan heb ik het over het gebruik maken van de voorouderlijke traditie.

Mijn ouders hadden ons deels met de adat opgevoed. De Molukse kerkelijke traditie werd thuis gehanteerd. En ook de pelaschap werd in ere gehouden. Toen ik tot bekering kwam heb ik van de pelaschap afstand genomen.

Na mijn afscheid van de G.I.M. gebruik ik de Molukse kerkelijke traditie niet meer, toen ik naar een andere geloofsstroming ben gegaan.

Ik hou mij aan Gods Woord, de Bijbel, dat expliciet verbied om de traditie naast het geloof te gebruiken. Voor mij is dat gebod duidelijk genoeg om afstand te nemen van de adat. Wellicht zullen er lezers zijn die mijn zienswijze over de adat en het geloof afwijzen. En daarin wil ik gewaardeerd en gerespecteerd worden voor de keuze die ik gemaakt heb.

Ik vind zelf zeer bemoedigend als de jongeren een bewuste keuze maken voor een leven met het geloof. In Amsterdam ken ik Molukse jongeren die actief zijn in de Pinksterbeweging. Als evangelist zitten zij in de bediening van een volle evangelische gemeente of hebben zelf een eigen (huis)gemeente opgezet. Of zij gaan de straat om het evangelie te verkondigen.

Sinds enige jaren is er een nieuwe beweging onder de Molukse jongeren gaande die zich hebben aangesloten bij Perkumpulan Anak2 Kristen Utara (PAKU).

Jongeren die gekozen hebben om Jezus Christus te volgen en het evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Begonnen was het in Assen en Groningen en is ondertussen als een olievlek over heel Nederland verspreid.

In Amsterdam is er animo onder de jongeren om bij de Molukse kerk, Gunung Batu, catechisatie en belijdenis te doen.

Uiteindelijk zijn het de jongeren die zelf een keuze mogen maken voor welke weg zij willen kiezen. Daarin moeten zij gewaardeerd en gerespecteerd worden.

Hierbij wil ik een interview van 1980 van het blad Tjenkeh met wijlen ds. Tutuarima plaatsen. Het thema gaat over zijn zorg om de jeugd van de 2e generatie Molukkers. waartoe ik destijds behoor.

Van dat interview wil ik enkele anekdotes aan dit onderwerp toevoegen, omdat ik op alle punten met wijlen ds. Tutuarima eens ben:

(bron blad Tjenkeh oktober 1980)

Vraag Tjenkeh : Wat denkt u hoe de jongeren met het geloof omgaan ?

Antwoord Dominee Tutuarima :

Ik moet zeggen, dat de Molukse jeugd mijn grootste zorg is. Ze begrijpt de Maleise kanseltaal niet, de Molukse bijbel kunnen ze niet lezen. Alles bij elkaar genomen, is het te begrijpen. De jeugd wordt nameljk niet opgevoed zoals het wezenlijk moet vanuit de christelijke opvattingen en zoals de bijbel het zegt.

Ik zou eens graag willen weten in welk Moluks gezin men dagelijks aan tafel de bijbel leest.

Vraag Tjenkeh : Hoe denkt u over de adat?

Ds. Tutuarima: “Ze ervaren de adat, omdat ze Molukkers zijn”.

”Bij het leven met de adat is het noodzakelijk dat je de bijbel als een soort controle er naast legt. Adat was dat ?

Het zijn meestal gewoontes die bij de Molukse samenleving in Nederland strak wordt aangehouden. Een soort verweer tegen de invloeden van de

Nederlandse samenleving”.

Vraag Tjenkeh : Hoe ervaart u het dat jongeren momenteel zoveel aandacht schenken aan de adat ?

Ds. Tutuarima :

“Wat er in Molukse kringen onder adat verstaan wordt, is niets anders dan gewoontes en godsdienstige opvattingen, gebaseerd op ronduit gezegd heidense voorouder verering.”

Vraag Tjenkeh : wat kan u over de pelaschap zeggen?

Ds. Tutuarima: “Mijn ouders – mijn vader is zelf predikant – hadden het overboord gegooid.” “Het hele pelaschap steunt op: omdat je erin gelooft, onderga je ook de invloed ervan. Zet je zoiets van je af dan heeft het geen waarde meer voor jou”. “De enige manier om dit op te lossen, is veel erover te praten “.

Over het thema adat en geloof wil ik de lezer verwijzen naar een lezing van Henk Karelse, voorganger en kenner van de voorouderlijke Molukse traditie, adat istiadat. Hij heeft jarenlang op de Molukken, samen met zijn vrouw Corry Parinussa, gewoond en gewerkt. Henk Karelse vertelt in zijn lezing wat de Molukse traditie inhoudt.

Te beluisteren via de volgende link : https://soundcloud.com/user514711416/seminar-20-09-2014-deel-2

# Voel jij je Moluks en op welke manier ?

Het is een lastige vraag waar ik lang over nagedacht heb.

En eerlijk gezegd stond ik niet bij stil of ik Moluks ben of niet, totdat een Molukker tegen mij zei dat ik verhollandst ben, toen ik pas uit Huizen vertrok en in Amsterdam ging wonen. Ik had mij heel lang beledigd gevoeld.

Nu besef ik dat ik niet de enige Molukker ben, die in Nederland geintergreerd is en langzaam zijn Moluks-zijn kwijt geraakt is. Persoonlijk ondervind ik het als een gemis, dat mij van jongs af aan de Molukse geschiedenis en de Molukse taal, in woord en geschrift, niet was meegegeven. Gelukkig heb ik in Amsterdam Molukse vrienden, die de kennis wel bezitten. Ik word door hun geinspireerd en gemotiveerd om mij daarvoor te interesseren.

# Zou je iets voor de Molukse gemeenschap willen doen in het algemeen?

12 Jaar geleden wilde ik een gezamenlijke dienst van de Molukse kerken uit alle stromingen organiseren. Geinspireerd werd ik door mijn vriendschap met dr. Chris Tamaela, predikant en musicoloog uit Ambon.

Maureen en ik begeleidden en hielpen hem bij kerkdiensten en bij muzikale workshops in Molukse wijken, toen hij aan de Vrije Universiteit studeerde en in Amsterdam woonde. Het bleek echter niet mogelijk te zijn om mijn plan voor een gezamenlijke Molukse dienst gestalte te geven.

Het geloof heeft nu een belangrijke plaats in mijn leven gekregen. Op het moment wordt mijn geloof in mijn huidige kerk verder opgebouwd en verdiept.

Wellicht zou ik in de toekomst mijn verkregen know-how en opgebouwde ervaring kunnen gebruiken voor de Molukse gemeenschap. Ik acht het niet voor onmogelijk.

.


# Hoe zie je de toekomst van de Molukse gemeenschap in Nederland?

Een moeilijke vraag om daar een goed antwoord op te geven. Ik leg de vraag bij drs. Baboyo Porsisa, socioloog, neer. Zijn antwoord hierop is: “Education is the key to the world “. Met zijn visie ben ik het met hem eens. Mijns inziens kun met goed onderwijs en hard werken de Molukse mensen voor nu en voor in de toekomst een belangrijke plaats nemen in de Nederlandse samenleving.

Ook kijk ik naar succesvolle vluchtelingen en emigranten waar wij als Molukkers ook iets van leren. Een prachtig rolmodel is Gor Khatchikyan. Op 12 jarige leeftijd was hij om politieke redenen met zijn ouders uit Armenie naar Nederland gevlucht, terwijl zij daar een goed leven hadden. Nu, als 28 jarige werkt hij als arts in een ziekenhuis, geeft als evangelist gastpreken en zijn grote doel is om Premier van Nederland te worden.

Hier een YouTube videofilm over Gor : https://www.youtube.com/watch?v=OwOe_quNacY

# Heb je nog wensen ?

Ik heb wensen, die ik voor mij en voor mijn gezin wil realiseren.

En ik hoop dat God nog jaren aan mijn leven wil toevoegen zodat ik mijn persoonlijke wensen zal zien uitkomen Ik besef ook dat ik nu een 2/3 deel van mijn leven achter mij heb liggen. De tijd in mijn leven die nog resteert wil ik goed gebruiken.

De start van mijn leven was niet gemakkelijk geweest, maar het einde zal goed zijn. Dat is een wens waarvoor ik gekozen heb.

Er zijn vele dingen die in mijn leven verkeerd waren, doordat ik verkeerde keuzes gemaakt heb. Eén van mijn favoriete Bijbelteksten is Romeinen 8 vers 28 is, die mij steeds weer bemoedigd :

Wij weten dat God alles tot een goed einde brengt voor wie Hem liefhebben. Voor hen die Hij besloten heeft te roepen. God kijkt namelijk niet naar onze fouten en onze problemen. Maar Hij kijkt naar Zijn plan voor ons leven.

Die tekst wil ik graag met met de Molukse mensen in Huizen delen.

Want ik weet dat er verdeeldheid is in de Huizense Molukse gemeenschap.

.

En “toevallig “ vond ik een interview van wijlen Oom Manuhutu van 1978 met het blad Tjenkeh vertelde.

(Bron blad Tjenkeh aug/sept 1978)

“Toen wij in 1951 in Nederland kwamen, waren wij een eenheid, met één kerk en één leider. Wij kwamen als eenheid naar buiten toe. Wanneer er onderling ruzie was en de politie wilde zich ermee bemoeien, dan moesten zij zich eerst bij de kampraad melden. Dat was een vaste afspraak “.“De hechte onderlinge band zoals toentertijd in het kamp, die is er niet meer “.

Wijlen Oom Manuhutu sprak niet voor zichzelf maar hij verwoordde de gevoelens van al die mensen die in 1951 in Kamp Almère een gemeenschap vormden.

En waarvan de meesten niet meer leven.

“Kalau satu rasa, semua rasa “.

Ik heb grote waardering voor de mensen die nu zich inzetten voor de Molukse kerkgemeenschap in Huizen, voor de mensen van Maluku Huizen en voor alle anderen die nieuwe activiteiten voor de gemeenschap ontplooien.

En ik zie hoop voor de toekomst dat er een nieuwe eenheid in de Huizense Molukse gemeenschap zal komen, want ik ken mensen uit die gemeenschap die dat als hartewens hebben. Het is voor mij een bevestiging dat er hoop is toen ik van een Molukker van buiten de gemeenschap zijn statement hoorde :

“Ik heb altijd een waardering voor de Molukse gemeenschap in Huizen gehad. Ik mijn ogen zijn het bijzondere mensen, die bijzondere kunnen doen”.

Indien de mensen met dezelfde ogen naar elkaar durven kijken en elkaar waarderen en respecteren voor wie zij zijn, wat zij doen en waarin zij geloven,

dan geloof ik dat er mooie dingen zullen gaan gebeuren.

Filippenzen 3 vers 14 : “Ik vergeet wat achter mij ligt en doe mijn best om te bereiken wat voor mij ligt “.

Het was mij een waar genoegen om aan dit interview mee te werken en een bijdrage te mogen leveren aan Maluku Huizen.

God’s rijke zegen wens ik jullie allen ! Shalom @ Amatoo

Ron A Sabandar

Amsterdam, 24 augustus 2017