Interview met Tante Beth Lekatompessy

Als je bij tante Beth Lekatompessy op bezoek gaat moet je de tijd nemen. Dat heeft Lies Rampen en ik ondervonden toen wij haar opzochten voor een interview. Ze wist onze vragen heel snel en heee…..lll uitvoerig te beantwoorden!

De meest hilarische herinneringen wist zij zo uit haar mouwen te schudden. We hebben tranen met tuiten gelachen toen tante Leka haar belevenissen vertelde die zij op de Kota Inten heeft meegemaakt. En dit zijn nog maar enkele van de vele herinneringen. We moesten hierop dan ook een einde aan breien en over gaan op wat serieuze onderwerpen. Het was een fijn gesprek met één van de nog enkele overgebleven vrouwen uit de eerste generatie. Gesprekken die wij moeten blijven koesteren.

  1. Hoe luidt uw naam ?

“Bethselina Diso, ik word in de Molukse gemeenschap tante Beth of tante Leka genoemd. De naam Diso schijnt uit Frankrijk te komen”

  • Waar bent u geboren?

“Ik ben geboren in 1933 op het eiland Java in Indonesië.”

  • Hoe heten uw ouders?

“Mijn moeder heet Sulika. De naam van mijn vader weet ik niet. Hij werd altijd bij zijn achternaam genoemd. Dat gebeurde wel vaker op Java.”

  • Hoe heet uw echtgenoot?

“Philipus Lekatompessy. In de Molukse gemeenschap wordt hij aangesproken met oom Ipus of oom Leka.”

  • Waar en wanneer is hij geboren?

“Oom Ipus is geboren op 27 mei 1908 in Latuhalat op het eiland Ambon.”

  • Waar en wanneer bent u getrouwd?

“Ik ben getrouwd in Sumber Kepo, op 26 april 1947. Hier heb ik oom Ipus ook leren kennen. Ik was 14 jaar. Wij waren  bijna 40 jaar getrouwd geweest. Oom Ipus heeft alles geregeld. Hij heeft mij laten ‘ontvoeren’ zodat wij konden trouwen. Maar als je geen christen bent mag je in Sumber Kepo niet trouwen.”

“Daarom heb ik mijn voornaam veranderd in een  christelijke naam, Bethselina, zo heette de enige zus van oom Ipus die helaas is verdronken. De oorspronkelijk naam van tante Beth is eigenlijk Taya. Ds. Keiluhu heeft tante Beth en oom Ipus hierbij geholpen. Deze dominee is later naar Culemborg verhuisd. Na ons huwelijk zijn we van Sumber Kepo naar Malang verhuisd, daarna naar Worno Kromo, dit is de naam van de haven bij Soerabaja waar de ms `Kota Inten` lag. Met deze boot zijn we vanuit deze haven in 1951 naar Nederland vertrokken, zoals alle bewoners van het eerste uur uit het voormalig woonoord `Kamp Almere`.”

  • Hoe heet uw zoon?

“Arnold Eduard, genoemd naar zijn biologische vader. De dokter in Kamp Almere zei: ,,Waarom noemt u hem geen Daddy, dat betekent papa in het Engels”. (Red.-Daddy wordt nu met een e geschreven) We zijn hem toen Deddy blijven noemen. Wij hebben Deddy vanaf zijn geboorte geadopteerd. Dat was op 6 april 1959 in Vaassen. Hij is geboren met een oogafwijking. Deddy was een zorgenkind, het was ziekenhuis in en ziekenhuis uit en dat bleef zo een tijd door gaan. Na anderhalf jaar begon hij pas te lopen.”

“Eigenlijk mochten wij Deddy niet adopteren omdat zijn biologische ouders uit kampong Allang komen. Hun familienaam is Sohilait. Kampong Allang en kampong Latuhalat hebben met elkaar een pela-bondgenootschap, de ´pela keras´ of ´pela tuni`. Om Deddy te adopteren moest er met de biologische ouders, opa en oma diverse regelingen worden getroffen. Tijdens de gesprekken werden er duidelijke afspraken gemaakt waaraan wij ons strikt moesten houden. En die mochten niet worden verbroken. Deze gesprekken werden afgesloten met een gebed. Hierna konden wij Deddy in onze armen nemen en hem beschouwen als onze eigen zoon.”

8.   Heeft u herinneringen aan de overtocht naar Nederland?

“Ach, ik heb tijdens de overtocht zo veel gezien en meegemaakt. Bijvoorbeeld het eten  aan boord van de ´Kota Inten´ was niet lekker. Aan boord kwam het vaak voor dat er door de mannen veel werd gedronken, waardoor ze daarna moesten overgeven. Het eten dat ze lieten staan nam ik dan mee. Maar omdat ik zo klein was zeiden de mensen die het zagen tegen elkaar: ,,Van wie is dat kind?” Waarop weer anderen die mij kennen zeiden: ,,Dat is geen kind maar de vrouw van Ipus Lekatompessy”. Dat gebeurde ook in kamp Almere. Kampbewoners die mij nog niet kenden vroegen zich toen ook af wie dat kind was met die hele lange haren tot aan de grond. Tante Nanlohy zei: ,,Dat is geen kind maar de vrouw van een hele lange oom” Hoe kan een vrouw zo klein zijn zeiden de mensen!”                                                             

“Tijdens de overtocht naar Nederland hadden we geen geld.  Dus toen we onderweg in Port Said in Egypte stopten, stonden er veel handelaren aan de kade hun waren te verkopen zoals dadels, sinaasappels en andere lekkere dingen. @ geen geld had kon je er alleen naar kijken en  stond het water je in de mond van al die lekkernijen. Tussen al die handelaren stond een Arabier die een soort olie verkocht. Die riep: ,,Mensen mensen mooi mooi mooi”!! Ik vroeg aan een tante die naast mij stond wat die man zei. Toen zei ze tegen mij: ,,Jij klein meisje hoeft dat niet te weten, dat is alleen bestemd voor de oren van volwassenen!!”

            “Aan boord mocht je geen nasi goreng eten anders kreeg je malaria.            Daarom at ik alleen brood, ook het brood van andere mensen. Toen kreeg    ik last van diarree en moest ik in de ziekenboeg worden opgenomen. Ook            oom Ipus moest worden opgenomen. In de ziekenboeg zei ik tegen oom    Ipus dat ik een Arabische handelaar had gezien die een soort olie        verkocht. Later hoorde ik waar de olie voor diende, maar ik zal het hier   maar niet vertellen…..”

“Aan boord sliepen de vrouwen en mannen apart. In de hutten sliepen tien personen op stapelbedden, dat zijn drie bedden boven elkaar. In de ziekenboeg lag ik met tante Kebrok, een Javaanse vrouw, in één hut. Zij is petekind van tante Ete Hehanussa. Zij is al overleden en heeft niet zo lang in kamp Almere gewoond. Ze is weer terug gegaan naar Indonesië. We lagen in de ziekenboeg zodanig dat wij de mensen af en aan konden zien lopen naar de keuken om hun eten te halen. We hadden zelf nog geen eten gehad. Dus we kregen wel erg veel trek bij het zien van al die mensen met hun bord eten. Toen zei tante Kebrok tegen mij: ,,Als ik mijn bord eten krijg eet ik de helft er van op en krijg jij de andere helft. Maar dat moet je op het toilet opeten. Ik sta wel op wacht naast het toilet. En als ik ga zingen weet je dat er een zuster aan komt. Het was namelijk  verboden om op hettoilet te eten”. Even later komt de man van tante Kebrok en zag zijn vrouw bij het toilet staan. Zonder haar te vragen wat ze daar deed kreeg zij een flinke pak rammel van hem. Hij dacht dat zij daar op andere mannen stond te wachten! Ik hoorde wat er allemaal gebeurde en at snel mijn eten op om haar te helpen. Ik zei tegen haar man dat hij moest stoppen, want zij stond daar om mij te helpen zodat ik kon eten. Even later kreeg ik mijn bord eten van een Menadonese zuster. Ze zei: ,,Als je wilt kun je nog meer krijgen”. Toen ik zag wat er op het bord lag zei ik tegen de zuster: ,,Dat ga ik niet eten!” Waarop de zuster zei: ,,Waarom niet?”  ,,Dat lijkt wel tai sapi (drol van een koe)!” zei ik. Nee zei de zuster: ,,Dat is het niet, het is worst!” Toen kreeg ik beschuit van de zuster”.

(Red.) Al met al, tante Leka heeft vele herinneringen aan de overtocht met de Kota Inten. Leuke en minder leuke gebeurtenissen. We zouden hier vele bladzijden mee kunnen vullen. Ook dat is typerend voor tante Leka, als ze eenmaal bezig is dan is ze niet meer te stoppen.

9.   Bent u in Ambon geweest?

“Ja, twee keer. In 1984 met Deddy. En in 2011 ben ik alleen gegaan ”.

10.   In welke barak heeft u in kamp Almere gewoond?

“In barak B. Dat is de barak achter de woning van meneer Lantinga de   kampbeheerder. Met tante Kebrok, familie Huwaë, tante Nanni Mainasy, tante  Emmy Brouwer, familie Marlissa en oom Wim Pesiwarissa”. En later naar de kleine witte barak naast de plein.

11.   Heeft u nog herinneringen aan het dagelijks leven in kamp Almere?

“Wij woonden net twee dagen in kamp Almere toen tante Charlotta  Matitaputty, tante Nanni Mainasy en ik gingen lopen naar de markt in Bussum.  Alleen wisten wij niet meer de weg terug naar kamp Almere. We hebben rondjes gelopen en kwamen uiteindelijk uit bij de snelweg richting Amsterdam. Maar hoe we nu verder moesten wisten wij niet. Gelukkig kwam er een jeep van de koninklijke landmacht aan rijden met een aardige militair aan het stuur. Hij vroeg ons in het Maleis waar wij naar toe moesten. U spreekt gelukkig Maleis zeiden we. Ik kom net uit Indonesië  zei de militair. We zeiden dat we naar huis wilden maar weten niet meer de weg er naar toe. Ik weet al waar jullie wonen zei de militair. Jullie zijn net in Nederland aangekomen. Stap maar in. Toen wij in het kamp aan kwamen zeiden de mensen dat wij kapsones hadden. Omdat wij ons met een jeep naar huis hebben laten brengen”.

12.   Hoe vindt u dat de jongeren met hun cultuur om gaan?       

       “Als ik terug kijk in de tijd ging de eerste generatie iedere zondag trouw      naar de kerk. Nu zie je bij de tweede generatie dat zij op zondag de       kerkdiensten steeds minder en onregelmatig bezoeken. De derde             generatie zie je nog amper op zondag in de kerk om de diensten bij te    wonen. Ik ben van mening dat als bij de derde en volgende generatie de         emotionele verbondenheid met de kerk weg is, ons kerkcultuur verloren     gaat. Dan zal het bestaan van de Gereja Indjili Maluku op losse     schroeven komen te staan”.

13.   Waarom denkt u dat de meeste jongeren niet meer naar de kerk gaan?

“Dat snap ik ook niet. Ze hoeven van mij niet iedere week te gaan. Als zij om de week of om de twee weken gaan is het ook goed. Als er maar structuur in de kerkgang zit. Als je iets ergs overkomt, denk maar aan een ongeval of je wordt heel erg ziek. Dan is het goed dat je in gebed gaat. Dat hebben wij allemaal van huis uit geleerd en mee gekregen. De dokter zal je dat niet vertellen. Misschien denken de jongeren dat de kerk ouderwets is en niet met de tijd mee gaat. En ook verstaan zij het Maleis niet die tijdens de       kerkdiensten wordt gesproken. Dat is ook logisch want op school krijg je geen les in de Maleise taal. Maar als het je op de één of andere manier niet wordt geleerd verdwijnt onze taal in de toekomst”.

14.   Is het misschien ook een reden dat buiten de zondag diensten geen enkele andere kerkelijk activiteiten zijn?

     “Dat kan ook een reden zijn.Er is wel een zondagschool. Maar daar gaan    maar weinig kinderen heen. Terwijl er veel meer kinderen zijn binnen de           Molukse kerkelijke gemeenschap. De zondagschool is nu opgeheven       vanwege te weinig belangstelling. Dat is erg jammer”.

15.   Hoe gaat het met uw gezondheid?

       “Dat is minder. Ik heb last van mijn rug en schouders. Ik kan ook niet             zonder een rollator lopen. Korte stukjes in en rondom het huis     gaat nog       wel. Maar als ik bijvoorbeeld naar de markt ga moet Deddy mee. En een     scootmobiel is niets voor mij. Omdat Deddy nog bij mij in woont krijg ik          geen huishoudelijk hulp. Daarom helpt Deddy ook mee in de huishouding      met klusjes die hij aan kan”.

 16.   Heeft u nog hobby´s?

     “Mijn hobby is tuinieren, in de zomer ben ik graag in de tuin bezig”.

Lies Rampen-Lahumeten en Rudi Sabandar